In juni verscheen het rapport van de commissie De Winter van het onderzoek naar geweld in de jeugdzorg. Opnieuw kwamen de verschrikkingen van afhankelijke kinderen en jongeren naar boven. De verhalen van slachtoffers die zich bij de commissie meldden waren afschuwelijk en vooral beschamend. Hoe konden volwassenen zich zo vergrijpen aan weerloze kinderen, hoe konden zij zo uit de bocht vliegen?

In de reacties op het rapport was er uiteraard heftige kritiek op de uitvoerende instellingen en op de overheid die dit liet gebeuren. Opnieuw werd een bak (zelf veroorzaakte) ellende uitgestort over de jeugdzorg. Wederom werd de jeugdzorg geconfronteerd met haar falen. Even dacht ik: “nu weten ze tenminste wat het voor ouders betekent als zij voor de zoveelste keer te horen krijgen dat zij gefaald hebben als opvoeder”. Maar is dat fair? En belangrijker, wat schieten we op met dergelijke primitieve wraakgevoelens?

Het onderzoek van de commissie De Winter (waarvan ik lid was) zocht actief naar sporen van geweld en evalueerde niet het totale optreden van de jeugdzorg. Tussen alle verhalen over de verwoestende werking van geweld meldden slachtoffers ook positieve herinneringen aan hoe zij bevrijd werden van de mishandelingen door hun ouders en hoe groepsleiders met een aai over hun bol probeerde hun verdriet te verzachten. De grote meerderheid van jeugdzorgwerkers bestaat uit mensen die zich het wel en wee van de volgende generatie aantrekken.

De vraag rijst dan hoeveel afkeuring je als professional kan verdragen als je dagelijks je gloeiende best doet? Hoeveel krenking van je beroepseer kan je hebben?

Of mag je die vraag niet stellen in het licht van het onrecht dat minderjarigen werd aangedaan?
De meeste slachtoffers die ik als lid van de Raadkamer Statuut van het schadefonds geweldsmisdrijven (commissie Samson) sprak, beantwoordden die vraag bevestigend. Tijdens de zittingen verontschuldigden zij de huidige bestuurders en spraken hun hoop uit dat hun ervaring tot verbetering van de jeugdzorg zou leiden. Deze slachtoffers bemoedigen jeugdzorgwerkers en dragen er zo aan bij dat zij overeind blijven in dat geweld over geweld. Dat lijkt mij een belangrijke bijdrage aan een veilige jeugdzorg.

Carol van Nijnatten, Commissielid Schadefonds Geweldsmisdrijven